MANTELZORG AANBIEDEN IS DAAROM NOG GEEN VOLWAARDIG BEROEP

In een recente casus diende het Hof van Beroep zich uit te spreken over de situatie waarbij een kind tewerkgesteld was bij diens ouders en na de beëindiging van de tewerkstelling dezelfde vergoeding bleef ontvangen, voorhoudend, dat het een vergoeding was voor de verzorging, onderhoud en het toezicht van de moeder.

Er werd in die zin een verklaring bijgebracht van de moeder zelf.

Door de notaris en door de eerste rechter werd geoordeeld dat deze verklaring onvoldoende bewijswaardig was en werd de vergoeding voor de helft aanzien als een schenking en voor de helft als een vergoeding voor de geleverde zorgen.

Het argumentatie van het Hof van Beroep toont de achterliggende redenering:

“Dat de moeder zelf de maandelijks te betalen vergoedingen als tegenprestatie voor de zorg benoemde, is niet van aard om de kwalificatie van schenking zondermeer uit te sluiten.

Ook indien de vergoeding voor bewezen diensten in uitvoering van een schuld of in uitvoering van een natuurlijke verbintenis gebeurt, kan er van schenking sprake zijn wanneer de waarde van de vergoeding de waarde van gepresteerde diensten overstijgt.

Dat moeder zorgbehoevend was,wordt aanvaard en de door het kind verstrekte zorg maakt het ongetwijfeld mogelijk dat de moeder thuis kon blijven wonen.

De betaalde vergoeding van initieel 1.600 EUR en vervolgens 1.800 EUR per maand is evenwel gelijk te stellen aan een volwaardig beroepsinkomen en overstijgt de waarde van de door het kind verstrekte zorg en bijstand.

Het kind stond immers niet alleen en voltijds in voor de zorg van de moeder, en werd beroep gedaan op hulp van derden, er was huishoudelijke hulp, er was thuisverpleging en was een gouvernante, en er was gedeeld verblijf in het dag-zorgcentrum.

Het Hof aanvaardt niet dat het kind haar beroepsmogelijkheden volledig had opgeofferd om voor haar moeder te kunnen zorgen.

De toetsing van de geleverde prestaties aan de kostprijs van een verzorgingsinstelling wordt niet bijgetreden.

Naast het feit dat in een verzorgingsinstelling ook onderdak, verwarming en dergelijke wordt voorzien, heeft moeder, bovenop de vergoeding aan haar eigen kind, ook nog de huishoudelijke hulp, thuisverpleging en de gouvernante met eigen middelen betaald.

Dat de moeder handelde uit vrijgevigheid blijkt uit het gegeven dat, ook na de beëindiging van de tewerkstelling, aan de dochter een volwaardig inkomen werd betaald zonder gelijkwaardige tegenprestaties te verschaffen. Ook de andere elementen van het dossier tonen aan dat de moeder haar dochter wou bevoordelen.

René KUMPEN

© 2015 Argus Advocaten