Doelgroepvermindering eerste aanwervingen: wat verandert er?

De regering heeft met de Wet van 26 december 2015 (houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht) startende ondernemingen een duw in de rug willen geven met een bijkomende lastenverlaging voor de eerste werknemers die zij in dienst nemen.

Deze doelgroepvermindering eerste aanwervingen bestond in het verleden ook al, maar werd nu dus stevig uitgebreid:

  1. i.p.v. een RSZ-vermindering voor de eerste 5 werknemers geldt dit vanaf 01.01.2016 voor de eerste 6 werknemers
  2. voor een eerste werknemer die wordt aangeworven tussen 01.01.2016 en 31.12.2020 zullen de werkgeversbijdragen voor onbepaalde duur (!) nagenoeg tot nul worden gereduceerd
Als voorwaarde geldt dat op het moment van de aanwerving de werkgever nog nooit onderworpen mag zijn geweest aan de Wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Het moet gaan om een zgn. “nieuwe” werkgever.

Er gaan stemmen op dat deze uitbreiding de poort openzet voor erger sociaal misbruik. Op andere punten zal er in de praktijk dan weer weinig veranderen. Een verruiming van de maatregel is immers nog geen versoepeling van zijn toepassingsvoorwaarden.

Stel, een nieuw opgerichte vennootschap neemt een eerste, tweede, derde, vierde, vijfde of zesde werknemer in dienst. Die nieuwe vennootschap behoort echter tot een groep van vennootschappen. De vraag die de RSZ zich dan zal stellen is of die verschillende juridische entiteiten te samen een zelfde technische bedrijfseenheid uitmaken?

Immers, krachtens art. 344 van de Programmawet van 24 december 2002 mag de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde of zesde werknemer van een nieuwe werkgever geen werknemer vervangen die in dezelfde technische bedrijfseenheid werd tewerkgesteld in de 4 kwartalen die het trimester van de aanwerving vooraf gingen. Om recht te hebben op de doelgroepvermindering moet het dus altijd om een meertewerkstelling gaan.

De RSZ bekijkt het recht op de doelgroepverminderingen eerste aanwervingen dus per technische bedrijfseenheid en niet per juridische entiteit. Wat dient men nu te verstaan onder het begrip technische bedrijfseenheid? De term werd alleszins níet omschreven in de voormelde wet. Daarom valt de RSZ in haar onderrichtingen terug op de criteria die i.h.k.v. de sociale verkiezingen gebruikt worden om te bepalen of er één technische bedrijfseenheid bestaat:

- twee (of meerdere) juridische entiteiten (ondernemingen, verenigingen, ...) zijn verbonden door minstens één gemeenschappelijke persoon; dit kan een werknemer zijn, maar ook de bedrijfsleider, ...;

- en deze juridische entiteiten hebben een gemeenschappelijke socio-economische basis; elementen die daarop kunnen wijzen zijn: 

  • plaats: wanneer de gebouwen waar de activiteiten worden uitgeoefend op dezelfde plaats of in elkaars nabijheid liggen;
  • activiteiten: gaat het om verwante en/of aanvullende activiteiten
  • bedrijfsmateriaal: geheel of gedeeltelijk hetzelfde
  • klandizie

De RSZ kan zich evenwel niet beroepen op het wettelijk vermoeden zoals opgenomen in de Bedrijfsorganisatiewet en in de Welzijnswet. Zij zal dan ook op basis van economische en sociale criteria het bewijs moeten leveren dat de verschillende juridische entiteiten één technische bedrijfseenheid vormen.

Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 12.11.2007 nog benadrukt dat: “[…] een nieuwe indienstneming geen recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering wanneer zij niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping in dezelfde technische bedrijfseenheid.”

Hoe dan ook blijft het een feitelijke appreciatie en zal er telkens opnieuw naar de concrete omstandigheden van het dossier gekeken moeten worden.

De wetgever mag dan wel in een uitbreiding van de doelgroepverminderingen eerste aanwervingen hebben voorzien, dat betekent nog niet dat de RSZ en de rechtspraak hun standpunt snel zullen veranderen.


Veerle Nijs

Advocaat

 

© 2015 Argus Advocaten