Wetsvoorstel van 1 oktober 2019 tot het strafbaar stellen van het opzettelijk en herhaaldelijk verzuimen huurgeld te betalen

Het recht op huisvesting is verankerd in de grondwet. Het recht op huisvesting komt tegemoet aan een belangrijke (zelfs essentiële) behoefte. Echter, wie een privéwoning of een sociale woning huurt, heeft  niet enkel rechten maar ook verbintenissen, o.m. de contractuele verplichting tot het betalen van de huurgelden en lasten.

Bij niet betaling kan de verhuurder uiteraard wel een vordering inleiden voor de Vrederechter om de huurovereenkomst te doen ontbinden en de huurder te doen veroordelen tot betaling maar in vele gevallen blijkt het vonnis niet uitvoerbaar omdat de huurder niet over de gelden beschikt om de veroordeling te voldoen noch over voldoende roerende of onroerende goederen om er een nuttig uitvoerend beslag op te leggen en aldus de gelden via een openbare verkoop te recupereren.

Naast de burgerlijke vordering beschikt de verhuurder ook over de mogelijkheid om strafklacht te formuleren wegens misbruik van vertrouwen of oplichting doch de praktijk leert dat dergelijke klachten erg vaak zonder gevolg worden gerangschikt en niet tot een effectieve vervolging en veroordeling leiden.

Om deze mogelijkheid van een strafrechtelijke vervolging van de huurder die opzettelijk en herhaaldelijk nalaat de huurgelden te betalen te ondersteunen lijkt het nodig in een specifieke strafrechtelijke strafbaarstelling te voorzien en dit is precies het oogmerk van het wetsvoorstel dat op 1 oktober 2019 werd ingediend.

Het voorstel beoogt de invoering in het Strafwetboek van een artikel 508quater luidende:

“Art. 508quater. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die opzettelijk en herhaaldelijk een pand huurt, wetende dat hij in de onmogelijkheid verkeert het desbetreffende huurgeld te betalen. Bij herhaling kunnen de straffen worden verdubbeld.”.

Dit wetsvoorstel beoogt m.a.w. niet om elke loutere contractuele wanprestatie (wanbetaling) ook strafrechtelijk te sanctioneren maar beoogt dit enkel indien de huurder te kwader trouw zou handelen door een huurovereenkomst af te sluiten terwijl hij zeer goed weet dat hij niet in staat zal zijn om de huur te betalen.

De sancties zouden dus niet toepasselijk zijn indien een huurder vb. door een tegenslag of enige reden buiten zijn wil niet meer in staat is om de huur te betalen, zoals vb. bij plotse werkloosheid of hoge uitgaven voor gezondheidszorgen.

Er bestaat een noodzaak om de verhuurder en de huurders billijk maar ook evenwichtig te behandelen en waarom zou een huurder niet strafrechtelijk worden vervolgd, terwijl het wel mogelijk is vervolging in te stellen tegen een verhuurder die in strijd met de artikelen van het Strafwetboek handelt ?

Moira BLASCETTA & Dirk VANDECASTEELE

© 2015 Argus Advocaten