Het verzet tegen het dwangbevel tot inning van RSZ-schulden aangepast

Bij wet van 01.12.2016 werd artikel 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders aangepast, zodat de RSZ met ingang van 01.01.2017 niet langer langs de Arbeidsrechtbank moest om een uitvoerbare titel te bekomen ter invordering van achterstallige RSZ-bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlintresten.

De wetgever achtte de voorafgaande tussenkomst van een rechter immers overbodig en louter administratief belastend, nu het merendeel van de gerechtelijke invorderingen geen aanleiding gaven tot betwisting. De RSZ werd daarom opgelegd om bij voorrang de achterstallige RSZ-bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlintresten in te vorderen bij dwangbevel betekend door de gerechtsdeurwaarder.

De wetswijziging werd fel bekritiseerd; een verzoekschrift tot vernietiging van de wet werd ingediend bij het Grondwettelijk Hof door  “Ordre des barreaux francophones et germanophone”.

Volgens hen zou het recht op toegang tot een rechter zou wezenlijk zijn aangetast:

- doordat het verzet tegen een dwangbevel enkel mogelijk was via dagvaarding en niet via verzoekschrift;

- het verzet enkel maar mogelijk was binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel;

- Er geen voorafgaande administratieve procedure bestond die de werkgever de mogelijkheid bood om de gevorderde bedragen te betwisten vóór de afgifte van het dwangbevel;

- Er een te ruime mogelijkheid tot delegatie aan een personeelslid van de RSZ voorzien was.

De aanklagers kregen gelijk. Op 04.04.2019 vernietigde het Grondwettelijk Hof artikel 40 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de afwezigheid van een voorafgaande administratieve procedure, de onmogelijkheid om ook verzet aan te tekenen door middel van een verzoekschrift en doordat slechts een verzetstermijn van 15 dagen was voorzien.  

Het Grondwettelijk Hof handhaafde wel definitief de gevolgen van de dwangbevelen die werden uitgevaardigd vóór de datum van de publicatie van haar arrest in het Belgisch Staatsblad;

Bij Wet van 26 mei 2019 tot uitvoering van het ontwerp van interprofessioneel akkoord 2019-2020 werden de nodige aanpassingen doorgevoerd.

Vanaf 17.06.2019 moet de RSZ alvorens over te gaan tot gerechtelijke invordering of invordering via dwangbevel, aan de schuldenaar een laatste ingebrekestelling met een boekhoudkundige verantwoording van de bedragen waarop de invordering betrekking heeft, versturen bij aangetekend schrijven of door middel van een elektronisch bericht in de E-box.

 Deze ingebrekestelling moet, op straffe van nietigheid, vermelden dat de RSZ, indien de schuldenaar niet overgaat tot betwisting van de verschuldigde bedragen en geen afbetalingstermijnen vraagt en verkrijgt, per aangetekende zending, binnen de maand te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de ingebrekestelling, kan overgaan tot de invordering van deze bedragen door middel van een dwangbevel.

De ingebrekestelling moet de mogelijkheden vermelden waarover de schuldenaar beschikt om de schuldvordering te betwisten alsook de nadere regels voor de betwisting. De ingebrekestelling moet eveneens de mogelijkheid vermelden om afbetalingstermijnen te vragen.

Verzet werd mogelijk gemaakt niet alleen door middel van een dagvaarding aan de RSZ  bij deurwaardersexploot betekend, maar ook door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.

De termijn voor verzet werd verlengd van 15 dagen naar 1 maand te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel.

Mr. Mieke LIESENS

© 2015 Argus Advocaten