Voorrangsregeling voor deeltijdse werknemers om een vacante dienstbetrekking bij hun werkgever te verkrijgen

Vanaf 1 januari 2018 geldt er een voorrangsregeling voor deeltijdse werknemers wanneer er bij hun werkgever een vacature is voor een voltijdse dienstbetrekking dan wel een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse dienstbetrekking waardoor de wekelijkse arbeidsduur verhoogd wordt.

Concreet kan een deeltijdse werknemer bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van een voltijdse dienstbetrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse dienstbetrekking waardoor zijn wekelijkse arbeidsduur hoger wordt dan die van de deeltijdse arbeidsregeling waarin hij reeds werkt.  Hierdoor is de werkgever verplicht om hem schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking mee te delen die dezelfde functie betreft als degene die reeds uitgeoefend wordt door de betrokken werknemer en waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit. Bijkomend heeft deze deeltijdse werknemer voorrang bij het invullen van deze betrekking.

Het Koninklijk Besluit van 2 mei 2019 specifieert nu dat de werkgever enkel vacante dienstbetrekkingen moet meedelen die tot gevolg hebben dat de overeengekomen deeltijdse arbeidsregeling wordt verhoogd voor onbepaalde tijd of gedurende een ononderbroken periode van tenminste één maand. 

Verder wordt voorzien dat de werkgever de mededeling moet doen binnen een termijn van een maand die ingaat de dag volgend op de dag waarop de dienstbetrekking vacant wordt. Deze mededeling dient te gebeuren ofwel via een aangetekend schrijven, ofwel door de overhandiging van een geschrift waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt ondertekend door de deeltijdse werknemer, ofwel op elektronische wijze mits ontvangstbevestiging van het bericht door de betrokken werknemer.

Ook de inhoud van de mededeling die de werkgever aan de deeltijdse werknemers die hiertoe een aanvraag indienden wordt nader toegelicht. Zij dient minstens een beknopte beschrijving van de vacante functie, de duur van de overeenkomst, het arbeidsvolume en werkrooster en de plaats van tewerkstelling te bevatten, alsook de termijn waarbinnen de deeltijdse werknemer moet reageren. Deze termijn mag niet minder dan een week of langer dan een maand bedragen. 

Tot slot werd voorzien dat de werkgever een afschrift van de mededelingen aan de deeltijdse werknemers, in papieren of elektronische vorm, gedurende zeven jaar moet bewaren.

Wanneer de deeltijdse werknemer die een werkloosheidsuitkering ontvangt voor de uren waarop hij niet werkt, niet ingaat op een door zijn werkgever aangeboden vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking, moet dit gemeld worden bij de Gewestelijk Werkloosheidsbureau van de RVA. Deze mededeling gebeurt via de prestatiestaat waarmee werkloosheidsuitkeringen worden aangevraagd voor de maand waarin de deeltijdse werknemer niet is ingegaan op de aangeboden vacante dienstbetrekking.

Werkgevers die hun verplichtingen inzake mededeling en voorrang t.a.v. deeltijdse werknemers die een aanvraag indienden tot het bekomen van een voltijdse dan wel een andere deeltijdse dienstbetrekking met een hogere arbeidsduur niet naleven, kunnen gesanctioneerd worden.

Deze sanctie bestaat in de betaling van een responsabiliseringsbijdrage die evenwel enkel verschuldigd is wanneer de deeltijdse werknemer voor wie de voorrangsregeling wordt geschonden “een deeltijdse werknemer met behoud van rechten” is die een inkomensgarantie-uitkering ontvangt.

Werklozen die een deeltijdse betrekking aanvaarden omdat zij geen voltijdse betrekking vinden, kunnen onder bepaalde voorwaarden het recht op werkloosheidsuitkering in een voltijdse dienstbetrekking behouden voor het geval zij volledig werkloos worden. Die "deeltijdse werknemers met behoud van rechten" kunnen onder bepaalde voorwaarden hun deeltijds loon laten aanvullen met een inkomensgarantie-uitkering. De werkloze is dan verplicht een aanvraag tot het bekomen van bijkomende uren in te dienen.

De responsabiliseringsbijdrage bedraagt 25 euro per deeltijdse werknemer met behoud van rechten die een inkomensgarantie-uitkering geniet en per maand waarin de verplichting niet werd nageleefd. Ze is telkens verschuldigd voor een volledig kwartaal.     

Deze vergoeding is verschuldigd vanaf het kwartaal volgend op de vier kwartalen waarin ten minste één bijkomend uur beschikbaar was en aan geen enkele deeltijdse werknemer die hiertoe aan aanvroeg indiende werd toegekend. Ze moet niet meer betaald worden vanaf ofwel het kwartaal waarin alle beschikbare bijkomende uren werden toegekend aan ten minste één van de deeltijdse werknemers die een aanvraag hiertoe indiende, ofwel het kwartaal waarin de werkgever de bijdrage voor de vierde opeenvolgende keer verschuldigd was en er geen enkel bijkomend uur beschikbaar was gedurende deze vier kwartalen.  

De responsabiliseringsvergoeding is niet verschuldigd voor de deeltijdse werknemer met inkomensgarantie-uitkering voor wie de werkgever kan aantonen dat (i) hij geen mededeling van de vacante betrekking moest doen omdat er geen toename van de wekelijkse arbeidsduur voor de ononderbroken periode van minstens één maand mogelijk was, (ii) de vacature betrekking had op een andere functie waarvoor de betrokken werknemer niet de vereiste kwalificaties bezit, (iii) de bijkomende uren betrekking hebben op prestaties tijdens dezelfde tijdblokken als de prestaties geleverd door de deeltijdse werknemer, (iv) hij tewerkgesteld is in een andere vestigingseenheid dan die waar de bijkomende uren beschikbaar waren, (v) hij alle vacante dienstbetrekkingen correct heeft aangeboden.  

Belangrijk zijn tot slot de uitsluitingen die het KB voorziet. De aangehaalde verplichtingen inzake de voorrang voor deeltijdse werknemers om een vacante dienstbetrekking in te vullen zijn vooreerst niet van toepassing op de deeltijdse werknemers die niet onder het toepassingsgebied van de CAO-Wet vallen. Het betreft personen tewerkgesteld in de openbare sector, in dienst van de VDAB, gesubsidieerde personeelsleden in het vrij onderwijs en werknemers aangeworven in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst. Verder worden ook de uitzendkrachten, de dienstenchequewerknemers en de gelegenheidswerknemers in de land- en tuinbouw uitgesloten uit het toepassingsgebied van deze reglementering.  

Het KB van 2 mei 2019 heeft uitwerking vanaf 1 april 2019. De responsabiliseringsbijdrage is voor het eerst verschuldigd in het tweede kwartaal van 2020.

Veerle SCHEYS

 

© 2015 Argus Advocaten