VERKEERSOVERTREDERS OPNIEUW STRENGER BESTRAFT: DEEL II

In een eerste deel van deze nieuwsbrief werd reeds aandacht besteed aan de wijzigingen in verband met de bepalingen van het alcoholslot en de wijzigingen in de verjaring van de strafvordering.

Deze bijdrage besteedt aandacht aan de topics mededeling van de bestuurder enerzijds en de uitbreiding van de gevangenisstraf in verkeersmisdrijven anderzijds.

Tenslotte wordt geëindigd met een algemeen besluit en een persoonlijke bedenking.

1.Het meedelen van de onmiskenbare bestuurder

Hierbij wordt door de Wegverkeerswet een onderscheid gemaakt tussen de natuurlijke persoon en de rechtspersoon.

Voorheen rustte er op de natuurlijke persoon op wiens naam het kenteken stond reeds een vermoeden van strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Dit vermoeden kon worden weerlegd met elk middel, zodat het volstond dat de houder kon aantonen dat hij onmogelijk de bestuurder kon zijn.

Er rustte geen enkele wettelijke verplichting op de houder om de identiteit van de persoon mee te delen die op het moment van de overtreding met zijn voertuig reed.

De nieuwe wet brengt hier verandering in. Het nieuwe artikel 67bis bepaalt dat er nog steeds een wettelijk vermoeden rust op de houder en hij dit kan weerleggen met alle middelen. Bijkomend wordt evenwel aan de houder opgelegd dat, indien hij erin slaagt aan te tonen dat hij niet de bestuurder was, hij de onmiskenbare identiteit van de werkelijke bestuurder dient mee te delen.

Deze verplichting geldt behoudens diefstal, fraude of overmacht. Het zal dus zaak zijn voor elke eigenaar van een voertuig bij te houden wie op een bepaald moment gebruik maakt van zijn voertuig omdat hij dit zal dienen te bewijzen aan de rechter.

Het niet kunnen of willen meedelen van de werkelijke bestuurder is dus sedert de wet van 6 maart 2018 een nieuw misdrijf dat strafbaar wordt gesteld met een gevangenisstraf van 15 dagen tot 2 jaar en een geldboete van 50 euro tot 4000 euro. Bijkomend kan er nog een rijverbod worden opgelegd.

Het verplicht meedelen van de identiteit bestond reeds voor de rechtspersoon onder artikel 67ter van de Wegverkeerswet. Met de nieuwe wet worden de bepalingen uit artikel 67bis en 67ter meer op elkaar afgestemd door in beide artikelen gebruik te maken van het meedelen van de ‘onmiskenbare’ bestuurder en de verantwoordelijkheid te ontlopen in geval van bewezen overmacht, fraude of diefstal.

2.Gevangenisstraffen

Het repressieve beleid uit zich eveneens in het meer en meer opleggen en verzwaren van bestaande gevangenisstraffen.

Zo worden de inbreuken op de regelgeving omtrent het rijbewijs (o.a. rijden zonder houder van een rijbewijs, rijden zonder de beperkingen op het rijbewijs na te leven, het afleggen van een valse verklaring,…) bestraft met een facultatieve gevangenisstraf van 8 dagen tot 2 jaar.

In de nieuwe wet wordt tevens een wijziging doorgevoerd in de bestraffing van een vluchtmisdrijf met gekwetsten enerzijds en met dodelijke afloop anderzijds. Bij een vluchtmisdrijf met enkel gekwetsten wordt de maximale (facultatieve) gevangenisstraf verhoogd van twee naar drie jaar en bij een vluchtmisdrijf met dodelijke afloop wordt het maximum verhoogd naar vier jaar.

Het gegeven dat deze problematiek de laatste tijd meermaals aan bod komt in de media en telkens de maatschappij (terecht) met verstomming doet slaan is hier uiteraard niet vreemd aan. Opnieuw geeft de wetgever door deze wijziging dus een krachtig signaal met de hoop het aantal vluchtmisdrijven te doen dalen.

3.Besluit

De elementen die in deze twee bijdrages werden besproken zijn enkel de krachtlijnen van deze nieuwe wetgeving in het verkeersrecht. Een steeds terugkerende tendens in de nieuwe wetgeving inzake verkeer die wordt ingevoerd tijdens deze legislatuur is de repressieve aanpak. Het is duidelijk dat de verkeersveiligheid één van de prioriteiten is geweest van de huidige regering.

Uiteraard is het zeer terecht dat de wetgever aandacht wil besteden aan het verbeteren van de veiligheid op de weg. De vraag is echter of enkel de repressieve aanpak tot de gewenste resultaten zal leiden. In sommige gevallen kunnen immers naast enkel de bestraffing bijkomende alternatieve maatregelen een beter effect hebben met het oog op preventie.

Voorkomen is soms beter dan genezen…

Raf STERKEN

© 2015 Argus Advocaten