HET BEWIJSRECHT IN EVOLUTIE

Dat het bewijsrecht evoluties ondergaat mag vanzelfsprekend lijken, zeker gezien de “recente” evoluties in onze manier van communiceren en dus ook inzake aanbieding en aanvaarding of m.a.w.de wijze waarop overeenkomsten tot stand komen.  De werkelijkheid is evenwel dat we onze bewijsregels, zeker in zaken van burgerlijk recht, nog steeds voornamelijk putten uit een Burgerlijk Wetboek dat dateert van 1804, een tijdperk waarin telefonie, telefax, e-mailverkeer, e-commerce … zelfs de verbeelding van toenmalige science-fiction auteurs te boven zouden gegaan zijn.    

In het handelsrecht zijn de bewijsregels wel veel soepeler en in beginsel zelfs volkomen vrij.  Denken we aan het vroegere artikel 25 Wetboek van Koophandel en de daarop gebaseerde rechtspraak die toestonden dat het bestaan van een verbintenis bewezen werd door het niet weerlegbare vermoeden van aanvaarding dat volgt uit het niet protesteren van een factuur of brief. 

Niettemin drong ook hier modernisering zich op.

Onze wetgever was en is zich hiervan bewust.    

Op 25.10.2018 keurde de Ministerraad een voorontwerp goed dat het boek 8 “bewijs” wil invoeren in het Burgerlijk Wetboek.    Het ontwerp beoogt niet meteen om nieuwe bewijsmiddelen (authentieke akte, onderhandse akte, getuigenbewijs, vermoedens, bekentenis, eed) in te voeren, wel om de toepassing ervan te versoepelen.

Wat burgerlijke zaken betreft geldt vb. dat het huidige artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek nog steeds stelt dat alle verrichtingen die de som of waarde van 375 euro te boven gaan, uitsluitend kunnen bewezen worden door een notariële akte of een onderhandse akte. 

Vele moderne communicatiemiddelen (e-mail, sms, enz. …) worden hierdoor in beginsel uitgesloten als bewijsmiddel van de overeenkomst of verbintenis.

Deze som van 375 euro,  de vereiste van een geschreven en door beide partijen ondertekende overeenkomst en de door de artikelen 1325 en 1326 opgelegde formalismen, zijn niet langer realistisch.  

De intentie van de wetgever is dat het bewijs in burgerlijke zaken “vrij” wordt voor alle verrichtingen met een som of waarde van minder dan 3.500,00 EUR !      Dit is een belangrijke hervorming met impact op een zeer groot aantal verbintenissen en betwistingen waarin de schuldeiser vandaag wel het recht aan zijn kant weet maar het niet krijgt doordat hij niet aandrong op de formele redactie van een geschreven bewijsstuk, hetzij omdat hij geloofde in de goede trouw van de medecontractant hetzij omdat de hedendaagse manier van contracteren de redactie van een geschreven en door beide partijen ondertekend stuk gewoonweg niet toeliet.    

Niet-handelaren zullen dus geen geschreven contract meer moeten afsluiten om het bewijs van een dergelijke verbintenis (tot 3.500 euro) te leveren maar zullen daartoe ook gebruik kunnen maken van getuigen, vermoedens, e-mails, sms, enz. … .  

In het bijzonder in de bloeiende sector van e-commerce waarin geen authentieke of onderhandse akten opgesteld worden, zal dit zeker van belang zijn.

Wat ondernemingen betreft, trad op 1 november 2018 een hervorming in werking (Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, Belgisch Staatsblad 27 april 2018)  door de invoering in het Burgerlijk Wetboek van het artikel 1348bis : "Bewijs door en tegen ondernemingen".

Art. 1348bis Bewijs door en tegen ondernemingen

§ 1

Bewijs kan tussen ondernemingen of tegen ondernemingen, zoals omschreven in artikel I.1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht worden geleverd door alle middelen van recht, tenzij de wet anders bepaalt.

Het eerste lid is niet van toepassing op de ondernemingen wanneer zij voornemens zijn te bewijzen tegen een partij die geen onderneming is. Partijen die geen onderneming zijn en die tegen een onderneming wensen te bewijzen, kunnen alle middelen van recht gebruiken.

Het eerste lid is evenmin van toepassing tegen natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen, ter zake van het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming.

§ 2

De boekhouding van een onderneming kan door de rechter aangenomen worden om als bewijs te dienen tussen ondernemingen.

De boekhouding van een onderneming levert geen bewijs op tegen personen die geen onderneming zijn, behoudens de bepalingen inzake de eed.

De boekhouding van een onderneming levert bewijs op tegen haar. De boekhouding mag niet ten nadele van de onderneming worden gesplitst.

§ 3

De rechter kan, op verzoek of ambtshalve, in de loop van een geding de openlegging bevelen van het geheel of van een gedeelte van de boekhouding van een onderneming betreffende het te onderzoeken geschil. De rechter kan daarbij maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van de desbetreffende stukken te vrijwaren.

§ 4

Een door een onderneming aanvaarde factuur levert bewijs op tegen deze onderneming.

Een korte bespreking hiervan.

  • HET BEWIJS TUSSEN ONDERNEMINGEN OF LASTENS ONDERNEMINGEN IS VRIJ EN KAN GELEVERD WORDEN DOOR ALLE MIDDELEN VAN RECHT

Met onderneming wordt elke natuurlijke persoon bedoeld die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent alsook iedere rechtspersoon en iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid tenzij deze geen winstuitkering doet en dat ook niet beoogt te doen.

Zijn dus vb. ook te beschouwen als ondernemingen, niet alleen vennootschappen maar ook zaakvoerders, bestuurders, beoefenaars van een vrij beroep, verenigingen en stichtingen.

Let wel, deze vrijheid van bewijsvoering geldt enkel tussen ondernemingen of tegen een onderneming maar niet tegen een medecontractant die geen onderneming maar een particulier is.    T.a.v. de niet-ondernemer blijven de gewone bewijsregels van het Burgerlijk Wetboek van tel.

  • DE BOEKHOUDING VAN EEN ONDERNEMING KAN GELDEN ALS BEWIJSMIDDEL ?

Op heden (artt. 1329 en 1330 B.W.) geldt dit enkel indien aangetoond wordt dat de boekhouding 'regelmatig' is of m.a.w. gevoerd wordt volgens de toepasselijke wetgeving.   

Deze vereiste werd door de wetgever niet hernomen in artikel 1348bis, wat in principe moet toelaten dat de Rechter ook een onregelmatig gevoerde boekhouding kan aanvaarden als bewijsmiddel tussen of tegen ondernemingen.    Het spreekt echter voor zich dat de Rechter het al dan niet volledig en/of regelmatig karakter van een boekhouding wel degelijk in aanmerking kan en zal nemen bij de beoordeling van de bewijswaarde ervan.

Belangrijk is het uitdrukkelijk machtigen van de Rechter om de openlegging te bevelen van de boekhouding (of een deel ervan) om een procespartij aldus te dwingen mee te werken aan de bewijsvoering.    Denken we aan de ondernemer die beweert een factuur niet te hebben geprotesteerd omdat hij ze zg. niet heeft ontvangen.   Welnu, overlegging van zijn boekhouding en/of BTW-administratie kan dan vaak letterlijk “boekdelen spreken”.

Om misbruiken te voorkomen (vb. procederen om op deze wijze de kostenstructuur, prijzenpolitiek, identiteit van leveranciers en/of cliënteel, enz. … te willen achterhalen) kan de Rechter maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van bedrijfsgegevens te waarborgen.

Ook hier geldt dat de boekhouding wel bewijs kan opleveren tussen ondernemingen en/of tegen een onderneming maar niet omgekeerd als bewijsmiddel kan ingeroepen worden door een onderneming tegen een medecontractant die geen onderneming is.

  • DE FACTUUR ALS BEWIJSMIDDEL

De wetgever herneemt het principe van het vroegere art. 25 W. Kh. dat stelde dat het bestaan van een verkoopovereenkomst tussen handelaren bewezen kon worden door het vermoeden dat volgt uit het niet protesteren ervan.

Het artikel 1348bis herneemt dit principe en (dit was ook reeds de opinie van de heersende rechtspraak) beperkt het niet langer tot de verkoopovereenkomst maar breidt het uit tot alle facturatie.

Een onderneming die een factuur ontvangt die door haar geheel of ten dele betwist wordt, dient zich dus bewust te zijn van de noodzaak om ze zo snel  mogelijk te protesteren !

Mr. Dirk VANDECASTEELE

© 2015 Argus Advocaten