Kan een niet-concurrentiebeding door de rechter gematigd worden?

De rechtsgeldigheid van een niet-concurrentiebeding is al heel lang voorwerp van bespreking in rechtspraak en rechtsleer.   Het basisprincipe is het beginsel van vrijheid van handeldrijven of ondernemen zoals dit sinds 1791 (het zg. Decreet d’Allarde) een fundamenteel onderdeel is van ons Economisch Recht en dat impliceert dat iedereen vrij is om naar eigen goeddunken handel te drijven of een bedrijvigheid uit te oefenen.     Dit beginsel werd overigens recent nog bevestigd in het Wetboek van Economisch Recht (art. II.3 : “Iedereen is vrij om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen.”).

Een niet-concurrentiebeding dat tot doel heeft om de cliënteel van een contractpartij te vrijwaren van afwerving door de andere contractpartij komt nochtans vaak voor, ook buiten het wettelijk kader in de wet op de arbeidsovereenkomsten en agentuurovereenkomsten.  Denken we aan het vennootschapsleven waarin vb. aan bestuurders en/of uittredende vennoten contractueel verbod wordt opgelegd om met de vennootschap te concurreren of nog aan overeenkomsten tot overdracht van handelsfondsen waarin deze bedingen ook al zeer veelvuldig bedongen worden en om begrijpelijke redenen.

Vrijheid van handeldrijven

De vraag is echter hoe dergelijke contractuele beperking kan gerijmd worden met het principe van vrijheid van handeldrijven dat immers aan de openbare orde raakt en dus gewoonweg geen afwijkend beding toelaat.  Dergelijk contractueel beding mag m.a.w. in geen geval impliceren dat er afbreuk gedaan zou worden aan de vrijheid van één van de partijen om te ondernemen of handel te drijven.

De rechtspraak evolueerde naar het standpunt dat een niet-concurrentiebeding rechtsgeldig is op voorwaarde dat het beperkt is, zowel wat betreft de aard van de verboden activiteit als beperkt in tijd en ruimte.    Een niet-concurrentiebeding dat niet beperkt is naar voorwerp, tijd en ruimte, is strijdig met de openbare orde en is nietig.   De Rechter moet het beding dan nietig verklaren en is niet bevoegd om het te matigen.   Het wordt immers geacht gewoonweg niet te bestaan.

Te lange duur

Een belangrijk arrest van het Hof van Cassatie dd. van 23 januari 2015 brengt hierop een niet onbelangrijke nuancering aan. Het onderliggende arrest van het Hof van Beroep te Gent beoordeelde een situatie waarin een overeenkomst een niet-concurrentiebeding bevatte met een duur van 17 jaar maar ook de tekst dat clausules in de overeenkomst die de wettelijke grenzen zouden overschrijden, niet nietig zouden zijn, maar van rechtswege zouden geacht worden begrensd te zijn tot het wettelijk toegelaten maximum. Het Hof van Beroep te Gent had het niet-concurrentiebeding nietig verklaard wegens de te lange duur ervan.

Het Hof van Cassatie oordeelde daarentegen dat de Rechter in dit concrete geval wel degelijk de bevoegdheid had om het beding te matigen i.p.v. nietig te verklaren.  D.w.z. dat de Rechter die moet oordelen over de rechtsgeldigheid van een niet-concurrentiebeding waarop geen bijzondere wetgeving van toepassing is, deze clausule wel degelijk mag matigen tot het maximum dat wettelijk toegelaten is maar dit uiteraard wel op voorwaarde dat partijen deze mogelijkheid uitdrukkelijk in hun overeenkomst hebben opgenomen.    Precies voor die laatste bewoording zal voortaan dus veel aandacht bestaan in contractbesprekingen.

Dirk Vandecasteele

© 2015 Argus Advocaten